Gelijkenissen 5. aantekeningen de barmhartige Samaritaan

Aantekeningen bij Lucas 10:25-37 (Download hier

Opmerkingen ter introductie:
- Deze gelijkenis is zó bekend, dat het spreekwoordelijk is geworden. In het Engels: 'good samaritaan'.
- Deze gelijkenis staat enkel in het evangelie van Lucas, terwijl veel van de bekendere gelijkenissen in meerdere evangelieën staan. 
- Omdat deze gelijkenis zo bekend is, weten velen het verhaal uit hun hoofd na te vertellen. Maar ondanks dat deze gelijkenis zo bekend is, vinden velen het toch lastig om de context en situatie waarin Jezus dit verhaal vertelt uit hun hoofd na te vertellen.

Crux van de gelijkenis:
Om de betekenis van deze gelijkenis te begrijpen zijn er 3 elementen onmisbaar
1) Context van de gelijkenis. Waarom vertelt Jezus dit verhaal?
2) De discrepantie tussen de vraag van de wetgeleerde en het antwoord (ook in vraagvorm) van Jezus.
3) De opmerking waarmee Jezus tot tweemaal toe de discussie afsluit.

Add 1) Waarom vertelt Jezus dit verhaal?
Jezus voert een discussie met een wetgeleerde over de juiste interpretatie van het Oude Testament. De kern ligt in de liefde voor God én voor de naaste. De wetgeleerde vraagt door over dit tweede gebod. Hoe doe je dat dan, je naaste liefdhebben? Wie is je naaste? De gelijkenis die Jezus vertelt is dus een uitleg van het gebod van naastenliefde.

Het hoofdthema van de gelijkenis is dus niet 'wie is mijn naaste?'. Het hoofdthema is 'naastenliefde'. Jezus geeft de juiste interpretatie van dit gebod. De vraag van de wetgeleerde blijkt zelfs te berusten op een foute opvatting over dit gebod.

Add 2) De discrepantie tussen de vraag van de wetgeleerde & Jezus' antwoord
De vraag van de wetgeleerde en het antwoord van Jezus sluiten niet naadloos op elkaar aan. Wie dit tijdens het lezen opmerkt, zit op de goede weg! Zoals meestal het geval is met een gelijkenis, zit er ergens een verassende omkering in het verhaal. Tegen de verwachtingen in, wordt de hoorder 'verleid' tot de waarheid.

De wetgeleerde vraagt (vers 29): Wie is mijn naaste?
Jezus antwoordt (vers 36): Wie is een naaste geworden?
Merk de verandering op: 'naaste' wordt van object tot subject!
Doordat Jezus de vraag van de wetgeleerde omdraait, is duidelijk dat Jezus vindt dat de wetgeleerde de verkeerde vraag stelt. Het gaat niet om wie je naaste is, maar of jij een naaste bent. 

In antwoord op de vraag van de wetgeleerde 'wie is mijn naaste', zou je kunnen zeggen: je naaste is iedereen die je tegenkomt op je pad en hulp nodig heeft. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is de gewonde man die hulpeloos langs de kant van de weg ligt, je naaste. Toch is dit niet wat Jezus ons wil leren.

Jezus vraagt: Wie is een naaste geworden? De wetgeleerde antwoordt: die medelijden heeft getoond. Het verschil tussen de eerste benadering van het gebod van naastenliefde (wetgeleerde: 'wie is..') en deze benadering van Jezus (het gaat om degene 'die medelijden heeft getoond') is groot:

Benadering van de wetgeleerde:
- Zijn vraag over het gebod van naastenliefde is een theoretische vraag
- Het vraagt naar de grenzen van het gebod van naastenliefde:
wie is wel mijn naaste, wie niet?
- Veronderstelling dat je mensen kunt categoriseren, en niet iedereen gelijk is.
- Veronderstelling dat sommige mensen niet je naaste zijn.
- Het is een wettische benadering van het gebod van de naastenliefde: als je weet wie precies je naasten zijn, kun je die liefhebben en dan heb je dus het gebod vervuld. 

Benadering van Jezus:
- Benadrukt dat naastenliefde een gebod is dat gaat over wat God jou vraagt in de praktijk te doen.
- De benadering van Jezus legt uit wat liefhebben is: medelijden tonen. 
- Het gebod van naastenliefde kent 2 elementen: het 1) liefhebben van 2) je naaste. De wetgeleerde vraagt naar het tweede, terwijl Jezus het accent legt op het eerste, op het werkwoord.
- Er zitten geen grenzen aan het gebod van naastenliefde. In de gelijkenis blijkt zelfs je aartsvijand je naaste te kunnen worden. 
- Het gebod van naastenliefde laat geen wettische interpretatie toe. Er zitten geen grenzen aan het worden van een naaste voor een ander. Dat moet je telkens weer doen en daar ben je nooit klaar mee. Het moet deel van je karakter worden.
- Ps: ook in het 'worden van een naaste' maakt je geslacht, ras of stand niet uit. Het is niet de Samaritaan die een naaste is geworden, maar 'die medelijden toonde'. Dát is liefhebben.

Add 3) De slot opdracht van Jezus
Vaak zit de crux van een verhaal of gelijkenis aan het einde. Soms is dat een soort 'ontknoping', zoals de vraag van Jezus aan het einde van de gelijkenis een soort verrassende 'ontknoping' is. Maar dat hoeft niet: de discussie met de wetgeleerde als geheel heeft als afsluiting een opdracht. Zo benadrukt Jezus nog eens wat hij belangrijk vindt: 'Ga en doe gij hetzelfde!' Het benadrukt wat Jezus al met zijn interpretatie van het liefdesgebod duidelijk maakte: het gaat niet om de juist wetsleer, maar om leven naar Gods wil.

De episode is opgebouwd uit twee gelijke delen:
1. Vraag  (wetgeleerde)    Wat moet ik doen vh eeuwige leven?
2. Wedervraag  (Jezus)   Wat zegt de wet?
3. Antwoord  (wetgeleerde)   God + naaste liefhebben
4. Opdracht  (Jezus)   Doe dat

1. Vraag  (wetgeleerde)   Wie is mijn naaste?
2. Wedervraag  (Jezus)  Wie is een naaste geworden
3. Antwoord  (wetgeleerde)  Die medelijden toonde
4. Opdracht   (Jezus)  Doe dat

De opdracht de liefde in de praktijk te brengen, herhaalt Jezus dus tot tweemaal toe.

De episode is een goed voorbeeld van een halagische discussie. De joden voerden veel discussies met elkaar over de juiste interpretatie van de wet. Dat ging vaak in de vorm van een discussie waarin vragen en wedervragen een belangrijke rol speelden. Zo leerden de rabbijnen hun leerlingen zelf tot het juiste antwoord te komen.

Het risico van discussie is echter in de leer te blijven steken, en niet aan de praktijk toe te komen. Daarom zegt Jezus tot tweemaal toe: doe dat ook! De geboden zijn niet gegeven als 'leer', maar bedoeld om uit te 'leven'.

Dat laatste geldt ook met betrekking tot het gebod van naastenliefde. Daarover moet je niet blijven discussiëren, liefhebben moet je gewoon doen.

Samenvatting:
Om tot een juiste interpretatie van het gebod van naastenliefde te komen, vraagt de wetgeleerde naar zijn naaste. Jezus gebiedt een naaste te worden:

'Heb je naaste lief' 
 - Wetgeleerde: Wie is mijn naaste?
 - Jezus: Word een naaste!

Je naaste liefhebben: je kunt niet afbakenen wie je naaste is, je kunt alleen een naaste zijn.
Je naaste liefhebben: heeft niet te maken met wie je naaste is, maar doe je door zelf een naaste te worden.

Vers-voor-vers
Vers 25
- 'Op de proef stellen.' We weten niet wat de preciese intenties van de wetgeleerde waren. Was de vraag bedoeld om uit te testen hoe competent Jezus was en hoe accuraat zijn wetskennis? Of wilde hij Jezus in de val lokkken? Waarmee dan? Jezus was onorthodox in leer en doen. Misschien verwachtte de wetgeleerde een onorthodox antwoord, e.g. 'Volg mij, en je zult het eeuwige leven beërven'.

Vers 25 - 'wat moet ik doen, om het eeuwige leven te beërven?' Misschien bedoelt de wetgeleerde dit 'wettisch': als je dit en dit maar doet, kom je in de hemel. Jezus legt uiteindelijk alle nadruk op het 'doen', maar laat wel zien dat aan het in de praktijk brengen van de liefde nooit een einde komt. Uiteindelijk gaat het om wie je bent, of je oog hebt voor anderen. Vergelijk ook de verhalen van de rijke jongeling: Matt. 19:16vv, Marc. 10:17vv en Luc. 18:18-23.

Vers 26 - 'Wat staat er in de wet?' Jezus ontmoet de wetgeleerde op voor hem bekend en vertrouwd terrein: de wet. 'De wet' verwijst naar de Torah, de eerste vijf boeken van Mozes, Genesis t/m Exodus. In het Oude Testament staat dus de weg naar het eeuwige leven al beschreven!

Vers 26 - 'Wat leest u daar?' kan ook vertaald worden: 'Hoe verstaat gij dat?' Jezus vraagt de wetgeleerde naar zijn interpretatie van de wet. Er staat heel veel in de Torah over de weg die God wil dat je gaat. 'Hoe zie jij dat? Wat is volgens jou belangrijk?' vraagt Jezus de wetgeleerde. Jezus test dus eerder de competentie van de wetgeleerde dan omgekeerd. Tegelijk erkent hij op deze manier ook de wetgeleerde als waardige gesprekspartner wiens mening ertoe doet.

Vers 27 - 'God liefhebben en uw naaste'. Beide vormen oudtestamentische geboden! Deze hele episode gaat dus over de juiste interpretatie van het Oude Testament. Met Jezus is wel een nieuwe tijd aangebroken, maar Gods wil is nog steeds dezelfde.

'Heb de Here uw God lief', zie Deut. 6:5.
'Heb uw naaste lief', zie Lev. 19:18
 'God liefhebben en je naaste' staan in het Oude Testament dus niet bij elkaar in de buurt. Nu komt het gebiedende werkwoord 'heb ... lief' slechts 4x in het Oude Testament. Naar joods gebruik, werden teksten die erg op elkaar leken op elkaar betrokken in de interpretatie. (Naast Deut. 6 en Lev. 19 nog tweemaal in gelijkende geboden. Deut. 11:1 en Lev. 19:34. In deze laatste tekst gaat het om liefde voor de vreemdeling! Die was de wetgeleerde in Lucas 10 zeker 'vergeten', maar Jezus duidelijk niet.)

Al vóór Jezus' tijd, werden deze twee geboden daarom samengevoegd als samenvatting van de wet. Jezus doet in Matteüs 22 dus niets opzienbarends als hij de wet op die manier samenvat. 

Het gebod God lief te hebben boven alles is onderdeel van het sjema dat gevormd wordt door Deuteronomium 6:4-9. Dit werd tweemaal per dag gereciteerd door de joden. Dit gebod was in Jezus' tijd dus over het algemeen goed bekend bij zowel geleerde als gewone gewone burger. Voor meer uitleg zie: http://campus.houghton.edu/orgs/rel-phil/schultzweb/SHEMA.OTL.html

Vers 27 & 28 - 'Gij heb juist geantwoord'. Er was dus geen discussie over het liefdegebod! Het liefdesgebod was duidelijk de kern van de wet die God gegeven had. Er was wél discussie over de reikwijdte van dat gebod.

Vers 28 - 'Doe dat'. De leer is correct, nu de praktijk nog! Gezien vers 29 voelt de wetgeleerde zich op zijn teentjes getrapt. Jezus zegt hem precies dat waar het bij hem aan schort. Met zijn wetskennis zit het wel goed, met zijn leven niet.

Vers 28 - 'en u zult leven'. De wetgeleerde vroeg naar het 'eeuwige' leven. Jezus spreekt over het leven. Jezus refereert aan Leviticus 18:5: 'Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt.' Jezus geeft in deze episode dus ook nog een interpretatie van Lev. 18:5. Het leven dat je geschonken wordt, is het eeuwige leven.

Wie de regel volgt 'God lief te hebben', hoeft niet over het 'eeuwige' leven te spreken. God liefhebben is immers niets anders dan 'leven met God'. Wie God liefheeft, gaat het leven met God reeds nu al binnen. Als de wetgeleerde vraagt naar het eeuwige leven en wijst op het liefdesgebod, zegt Jezus zoveel als: inderdaad, zo krijg je het eeuwig leven. Maar als je dat doet, zul je nú al leven, écht leven. De kern van het leven ligt immers in Gods nabijheid.

Herinner je, dat de gelijkenissen gaan over het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk van God is niet alleen iets van de toekomst (hoe krijg ik straks het eeuwige leven). Je mag er nu al binnengaan.

Wie nu weet heeft van Gods nabijheid, zal zich daardoor ook verzekerd weten van Gods toekomstige nabijheid.

Vers 29 - Zie bij vers 28.

Vers 29 - 'Wie is mijn naaste'. De wetgeleerde vraagt door op het gebod van naastenliefde. Hij gaat door met theoretiseren, in plaats van het gebod in de praktijk te brengen. Het is een soort vlucht voor de opdracht van God. Liefhebben vraagt namelijk heel wat van jezelf. Jij wordt gevraagd lief te hebben.

Vers 30 - 'Jeruzalem naar Jericho'. Een bekende weg. Van Jeruzalem naar Jericho daalt de weg sterk, het was een ruig gebied, geschikt voor rovers om voorbijgangers op te wachten en te overvallen. In Jericho woonden in die tijd veel priesters. Er waren 24 priester-afdelingen (1 Kron. 24:1-19), die om de beurt een week in Jeruzelem in de tempel dienden. Bijna de helft van hen woonde waarschijnlijk in Jericho. 'Van Jeruzalem naar Jericho' vormt dus een geschikte setting voor het verhaal dat Jezus wil vertellen. Het zal de toehoorders niet verbaasd hebben dat hier een priester en Leviet passeren.

Vers 30 - 'hij werd overvallen'. Alles wat de rovers hem aandoen, wordt door de Samaritaan meer dan goed gemaakt. De Samaritaan doet zelfs meer. Liefde kent geen grenzen.


De rovers:     
1) overvallen hem onderweg naar Jericho  
        ↓       
2) mishandelen hem     
        ↓      
3) laten hem halfdood achter   

De Samaritaan
3') gaat naar de man toe
        ↓
2') verzorgt zijn wonden 
        ↓
1') brengt hem naar Jericho

Vers 30 - 'trokken zijn kleren uit'. De voorbijgangers konden dus niet aan de kleding zien wat de culturele achtergrond van deze man was.

Vers 31 - 'Een priester, leviet, Samaritaan'. Deze drieslag is een mooie verteltechniek die wij ook nog vaak toepassen, zoals in moppen over een Nederlander, een Belg en een Duitser. In rabijnse teksten meermalen wordt gesproken over een priester, een leviet en een Israëliet. Het rijtje suggereert een hiërarchie. Maar ook in deze teksten werd benadrukt, dat het juist de gewone Israëliet kon zijn met de grootste wetskennis.

Jezus gaat nog een stap verder, en maakt er een Samaritaan van. Dat geeft een shock-effect en maakt dat het gebod van de naastenliefde voor Jezus qua reikwijdte zelfs het liefhebben van je vijand omvat.

Vers 31 - 'Een priester liep er met een boog omheen'. Lev. 21:1-15 (zie ook: Numeri 19:11-22) gebood priesters niet in contact te komen met doden, zelfs niet als het familie betrof. Reiniging duurde 7 dagen en er waren financiële gevolgen aan verbonden. De algemene regel (o.g.v. rabijnse teksten) was, zo'n 2 meter uit de buurt te blijven, vandaar 'de boog'. Deze priester is dus gehoorzaam aan Gods wet. 

Vers 32 - 'De leviet'. Hetzelfde geldt voor de Leviet als voor de priester. Levieten assisteerden de priesters bij het offeren.

Vers 31, 32, 33 - 'Zien'. Zien of kijken? De priester en Leviet zien de man niet echt. Bij de Samaritaan roept het zien van de gewonde man medelijden op. Jezus gebiedt ons een naaste te worden. Die liefde voor de naaste begint in je hart: als je een ander ziet en je hart over hem of haar bewogen wordt, dan word je als vanzelf een naaste voor die ander.

Vers 32 - 'Een Samaritaan'. Een volk waarmee Israël op gespannen voet stond. Zij woonden al eeuwen in Israël. Zie toelichting hieronder.

Vers 37 - 'die medelijden heeft getoond'. De wetgeleerde kan het woord 'Samaritaan' misschien wel niet over zijn lippen krijgen! Tegelijk wijst hij in zijn antwoord precies waar het om gaat in de liefde: niet om je afstamming, geslacht, rijkdom, maar om medelijden tonen met een ander.
Vers 37 - 'Ga dan en doe jij hetzelfde'. Jezus zegt niet meer en minder wat hij in vers 28 ook al zei. Heb je naaste lief; doe dat nou eens! Begin er nou gewoon eens mee.

Achtergronden: Halagische discussies
De rabijnen kennen twee soorten literatuur: halaga en haggada.
Halaga = rabijnse literatuur met betrekking tot de wet
Haggada = alle overige rabijnse literatuur, het gaat niet over de wet.
Halaga bevat veel discussie over de juiste interpretatie en reikwijdte van de wet. Waar wetten zijn, is het bijna niet te voorkomen dat er situaties zijn waar wetten met elkaar in conflict komen. Soms is het ook niet duidelijk hoe een wet in de praktijk moet worden toegepast. Daarvoor is de halaga.

De vragen zoals deze door de wetgeleerde worden gesteld, komen overeen met de wijze waarop halagische discussies werden gevoerd. De Israëlieten hadden immers de opdracht gekregen, niet alleen om de wet van buiten te kennen, maar ook om die wet te bediscussiëren, levendig te houden. Zie het sjema in Deut. 6!

In de halagische discussies van de Farizeeën in de tijd van Jezus speelde de mondelinge tora een belangrijke rol. In de theologie van die tijd werd het geloof in de mondelinge tora breed aangehangen. De schriftelijke tora (de boeken van Mozes) kan niet begrepen worden zonder de duidelijke uitleg en interpretatie ervan voor het dagelijks leven door wijzen en geleerden. De mondelinge torah omvat dus de traditionele interpretatie en toepassing van de wet. Hoe is de wet bedoeld?

Men geloofde dat ook de mondelinge tora in oorsprong op Sinaï door God was gegeven. In Leviticus 26:46 wordt van de tora in meervoud gesproken. Zij was van generatie op generatie mondeling overgeleverd. Zij is later door Rabijnen opgeschreven in wat nu de mishnah heet.

De Farizeeën accepteerden de mondelinge tora, de Saduceeën niet. De Saduceeën waren daarom literalists, degenen die alles letterlijk namen, naar de letter. De Farizeeën volgden de mondelinge torah, die veel meer ruimte gaf.

In deze episode uit Lucas 10 komen twee wetten met elkaar in conflict. De wet van naastenliefde en rituele reinheid. De priester volgt de wet naar de letter: hij mag zich volgens Leviticus 21:1 niet verontreinigen door met een dode in aanraking te komen. In veel rabijnse geschriften worden priesters en Levieten bekritiseerd omdat ze zich meer met rituele reinheid bezighouden, dan met de ethische en morele geboden van God.

De mondelinge wet gebood dat een 'verlaten lijk' altijd begraven moest worden. Het gaat om een persoon die niemand heeft om hem te begraven. Een priester, Leviet en zélfs de hogepriester (Lev. 21:11), moesten zich volgens de mondelinge wet verontreinigen om dit lichaam te begraven.

Volgens de gelijkenis was de man echter halfdood. Wat veel belangrijker was, was daarom het gebod een leven te redden. In de joodse mondelinge traditie werd er zonder compromis prioriteit gegeven aan het redden van een mensenleven. Een mensenleven moest ten koste van alles gered proberen te worden. Alle wetten uit de geschreven wet mochten geschonden worden, om daarmee een leven te redden (pikuach nefesh).

De priester en Leviet hadden dus geen excuus, volgens de mondelinge tora. Of de man nu dood was of nog in leven, ze hadden niet voorbij mogen lopen. De mondelinge tora volgde dus de wet niet naar de letter, maar naar haar intentie. Zie bijvoorbeeld Micha 6:6-8. Wat wil God? Geen brandoffers of duizenden rammen, zelfs al zijn ze naar de wet geofferd (Jes. 1:11, Amos 5:20-21), maar je hart. 'Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.'

De Samaritanen
Wie zijn de Samaritanen? Ze wonen in het gebied rondom Samaria. Bekijk eens een kaart van Israël om te zien waar dat is. Ze zijn 'half-bloedjes'. Van oorsprong afkomstig uit Assyrië. Lees eens 2 Kon. 17:24-33. 

Ze waren wat hun godsdienstige leer betrof dus niet zuiver op de graad - tenminste volgens de Israëlieten dan. Maar ze waren wel heel precies en nauwgezet in het naleven van hun godsdienst. Wat dat betreft past de Samaritaan in het rijtje Priester, Leviet, Samaritaan. Ze zijn alle drie strict in de godsdienst.

De Samaritanen waren monotheïstisch. Zij erkenden als heilige Schrift alleen de Torah, de eerste vijf boeken van het Oude Testament. De profetische geschriften bijvoorbeeld erkenden zij niet. Zij erkenden de tempel in Jeruzalem niet als het ware heiligdom van God, maar zagen de berg Gerizim als de ware plaats waar God aanbeden zou moeten worden. Zie ook Johannes 4 waar de Samaritaanse vrouw met Jezus bij de put hierover praat.

Hoe gespannen de verhoudingen tussen Samaritanen en Joden waren blijkt wel uit het verhaal dat kort hiervoor in Lucas 9:51-56 staat. Ook is uit de geschiedenisboeken bekend, dat de Samaritanen in 6 na Chr. de tempel verontreinigen door botten van doden mee te nemen en in de tempel te verspreiden.

In de evangelieën komen de Samaritanen wel vaker gunstig uit de bus. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal van de 10 melaatsen. Welke melaatse kwam er terug? Lucas 17:12-19. En denk aan de Samaritaanse vrouw bij de put. Ook uit het Oude Testament is een positief verhaal over een Samaritaanse profeet bekend. Zie 2 Kronieken 28:8-15.

  • Agenda

    eerstvolgende preekbeurten 2015:

    5 april
    Apeldoorn De Fontein

    12 april
    Boskoop De Stek

    19 april
    Baambrugge

    26 april
    Goede Herderkerk Huizen

    3 mei
    Ter Aar

    10 mei
    Vuren

    17 mei
    Bevestigingsdienst Tollebeek

    24 mei (Pinksteren)
    Intrededienst Tollebeek

    31 mei
    Nieuw Vennep

    7 mei
    Tollebeek
    Bevestiging Ambtsdragers

    14 mei
    Tollebeek
    Heilige Avondmaal

    Meer agenda