Verzoening (Lev. 16)

Ds. Ilonka Terlouw

Leviticus 16:1-22 en 34
Zomer 2006 


1. Intro: In de woestijn

Stel je eens voor....

Je trekt met het volk Israel achter Mozes aan, achter de wolk aan, door de woestijn. Je kijkt om je heen - alleen maar zand en stof, donkergrijs-rode rotsen. De zon is een gelige hete vuurbal die op je huid brandt. Zo nu en dan zie je hier en daar wat bomen staan, met wat donker groene bladeren, zo half verschroeid. Zo ver het oog reikt: de dorre en kale heuvels van de woestijn.

De tabernakel is in zo'n landschap een vreemd verschijnsel. Als het volk Israel haar tenten opstelt, stelt ze zich op in een vierkant. Telkens 3 stammen op een rij, zo vormen alle 12 stammen een vierkant. In het midden staat de tabernakel.

Moet u zich eens voorstellen hoe dat er uit heeft gezien. De grauwe en rotsige woestijn, een tentenkamp van nomadententen, gemaakt van dekkleden van zwart gevlochten geitenhaar. En dan: een tent, met een spierwitte omheining.

Als je door de omheining naar binnen gaat sprankelt alles er van de kleuren. Blauw en rood purper, het goud fonkelt je tegemoet. Een priester in een blauwe jurk met een gekleurd schort. Een soort grote vierkante ketting hangt op zijn borst, bezet met  allemaal sierlijke edelstenen.

Het lijkt alsof de tent in brand staat - er komt rook uit het achterste gedeelte omhoog. Een soort rookwolk hangt daar boven de tent.

De hele opstelling zo, dat maakt je best wel nieuwsgierig. Waar komt die rook vandaan? Zou u ook niet even die tent in willen lopen, even willen kijken wat er daar binnen te zien is, en wat zou er te zien zijn daar achter dat gordijn dat achter in de tent hangt?

Maar daar al zo in die voorhof - is er van alles wat de aandacht trekt. Eigenlijk een bloederig gebeuren. Dieren die gedood worden en op een soort tafel van koper worden delen van de dieren verbrand.

2. Offeren en verzoening
Soms kom je in het buitenland op vakantie, en als toerist bekijk je dan ruines in de omgeving. Griekenland staat er bijvoorbeeld vol mee. Dan zie je iets van een hoopje stenen waarbij een bordje staat met 'altaar voor Jupiter' of 'altaar voor Bachus'.

Het spreekt soms tot de verbeelding. Hoe zal het er vroeger uit hebben gezien toen het nog allemaal intact was, en gebruikt werd? Ook de Romeinen en Grieken kenden nog offerrituelen. Maar voor ons staat het allemaal wat ver van ons af. Offeren. Geen enkele cultuur in onze nabije omgeving kent nog dergelijke offerrituelen.

Maar juist als we het over de kern van ons geloof hebben, zullen we ons daar in moeten verdiepen. Wat is offeren? Waarom offerde men? Het is niet onbelangrijk dat we ons hierin verdiepen: Men offerde om 'verzoening' te bewerkstelligen. Verzoening, de verzoening in Jezus - dat vormt de kern van ons geloof! In het Nieuwe Testament wordt maar een keer of tien over 'verzoening' gesproken. Er wordt daar bijna niet uitgelegd wat verzoening is, want alle kennis van de offer cultus uit Oude Testament wordt verondersteld.

Daarom verdiepen wij ons vanochtend in dat Oude Testament, en wel in Leviticus 16. Leviticus 16 beschrijft 'de grote verzoendag', die 1x per jaar werd gevierd in het najaar. Het is de grootste feestdag die de joden kenden. Dat is ook niet zo vreemd. Want op deze dag wordt, zoals vers 17 zegt, verzoening gedaan voor het gehele volk (vers 17), en voor al hun zonden (vers 34).

3. Verzoening: naderen voor het Aangezicht van de HEERE
Daar wil ik vanochtend met u in graven: verzoening. Wat is dat nou?
Hoe kunnen de offers die gebracht worden tot verzoening leiden? 

En als we daarnaar zoeken, waar het nou om draait als we het over 'verzoening' hebben, dan zie ik in Leviticus 16 twee woorden centraal staan en telkens terugkeren. Twee woorden: het eerste is een werkwoord, dat beschrijft dus een handeling, een daad. Het tweede woord is een plek. Een centrale plek.

Het eerste woord is het werkwoord 'naderen' - naderen. Dat zal u misschien niet zo zijn opgevallen, omdat het woord in het Nederlands met allemaal verschillende woorden wordt vertaald. Wat u waarschijnlijk wel is opgevallen, is dat Leviticus 16 een ritueel beschrijft voor het offeren van verschillende dieren. Nu, het woord offeren is in het Hebreeuws niets meer en niets minder dan 'naderen'. Als je een dier offert, doe je een dier naderen tot God. Bij offeren denken wij direct aan het verbranden van een dier op een altaar, maar dat is dus niet geheel correct als we naar de betekenis van het woord offeren kijken. Het gaat juist niet om een dood dier dat verbrand wordt. Het gaat om een levend dier dat jij als mens doet naderen tot God. En als een mens een dier doet naderen tot God, dan nadert die mens dus zelf ook tot God. Dat is precies waar vers 1 mee begint: de twee zonen van Aaron die naderden voor het Aangezicht van de HEERE. 

Dus als het om verzoening gaat, dan gaat het allereerst om deze actie, namelijk om het 'naderen tot God', het 'zoeken van de nabijheid van God'.

Het tweede woord dat centraal staat is een plek, een locatie. Meer dan 10x wordt er gesproken over het 'Aangezicht van de HEERE'. En als er over het 'Aangezicht van de HEERE' wordt gesproken dan wordt er niet zomaar over God in het algemeen gesproken. Het gaat het om het directe contact met God, zo direct dat je iemand in de ogen kunt kijken, in zijn aangezicht kan kijken. Daarom is het hier in Leviticus altijd verbonden met een plek. Want er is maar een plek waar God aanwezig is, in hoogst eigen persoon, waar je Hem kan ontmoeten, persoonlijk, van aangezicht tot aangezicht. En dat is achter in de tent, achter het gordijn, in het heilige.

Dat is de plek waar God zelf verschijnt in een wolk, op dat verzoendeksel (vers 2). Dat is de centrale plek in Leviticus 16 waar alles gebeurt.

Als we willen weten wat verzoening is, dan leren we uit Leviticus 16 dat het om deze twee dingen gaat: naderen en het Aangezicht van de HEERE. Daarmee raken we aan de kern van waar het in verzoening om draait. Het naderen van de mens tot voor het Aangezicht van de HEERE.

4. Naderen tot God betekent je dood
Deze wetstekst uit Leviticus met allerlei voorschriften en rituelen kan op het eerste gezicht wat droog en saai lijken, maar het gaat vanaf het allereerst woord om de kernzaken van het leven van ons als mensen: Het gaat om het leven in Gods nabijheid. -Naderen tot voor het Aangezicht van God.

Maar direct uit de eerste verzen blijkt al dat dit een uiterst gewaagde onderneming is. Het naderen tot God wordt in deze verzen letterlijk ingeklemd door de dood. Het begint ermee en het eindigt ermee: De dood van de zonen van Aaron, Adab en Nabihu, omdat zij naderden voor het Aangezicht van de HEERE en een waarschuwing aan Aaron om niet zomaar te naderen, omdat dit zijn dood kan beteken.

Hoe is het nu nog mogelijk om lichtzinnig te praten over het naderen tot God, als we dit lezen! Ik hoor christenen er soms heel gemakkelijk over praten, over de verzoening in Christus, dat je een kind van God bent en bij God mag komen, alsof het allemaal maar niets is. En ik hoor niet-christenen er soms nog makkelijker over praten, over het goddelijke, en God die vooral aardig en goed is. Maar er staat heel wat op het spel: uw leven staat op het spel. Als je tot God nadert, is dat met gevaar voor eigen leven. De heiligheid van God, van JHWH, de HEERE, doodt al het onheilige dat in zijn nabijheid komt. Het doodt de mens.

Naderen tot God is een waagstuk.

Tegelijkertijd kunnen we niet anders. Zonder God is het evenmin mogelijk om te leven. Kent u dat, dat verlangen, om te leven in Gods nabijheid. Dat het u niet loslaat, maar dat er u alles aan gelegen is, dat u Gods hart wil leren kennen? Omdat alleen daar, in die intimiteit met God het leven is te vinden.

Op de dag dat Adam en Eva uit Gods nabijheid werden verbannen uit het paradijs, stierven zij. Nog niet lichamelijk nee, maar als mensen stierven zij, omdat zij uit Gods nabijheid werden verbannen. Als wij hier op aarde moeten leven zonder God, betekent dat op alle mogelijke manieren onze dood. Er zijn allerlei voorbeelden in de bijbel die ons dat telkens weer leren. Toen Saul uit Gods nabijheid werd verbannen, werd hij gek. Zijn leven was zo dood en zinloos, dat hij er uiteindelijk zelf een einde aan maakte. Toen Simson het geheim van zijn haren verklapte, en hij het zonder God moest stellen, kwam hij erachter dat zijn leven zonder God een leven van de dood was. Hij had geen kracht meer, hij kon niets meer doen. Zijn leven werd zinloos.

Maar als je erachter komt hoe zinloos en dood het leven zonder God, dan is er je alles aan gelegen om Gods hart te leren kennen. Dan zoekt u naar die intimiteit. Om weer te naderen tot God, tot voor zijn Aangezicht. Simson was er alles aan gelegen om die nabijheid van God weer terug te krijgen. Er was hem zoveel om te doen, dat hij zichzelf, op leven en dood, in de handen van die God wilde leggen. Toen hij die pilaren omver duwde, wist hij dat hij ook zelf zou sterven, maar het was het hem waard als hij maar weer in de nabijheid van God zou zijn.

Daar gaat het vanochtend om, daar draait het om in de hele offer cultus van Israel: het naderen tot God. Omdat Gods nabijheid je het leven betekent, God nabijheid is alles. Met Gods nabijheid doodt de kleine herdersjongen David een reus als Goliath, en verslaat Gideon met slechts 300 man het leger van tienduizenden Midijanieten. Gods nabijheid, naderen tot God, dat is ook een waagstuk, we kunnen er niet lichtzinnig over spreken. Je legt jezelf op leven en dood in de handen van een heilig God. Maar je kunt niet meer anders. Hem te ontmoeten is je zelfs je dood waard.

5. Het verzoeningsritueel
Graag wil ik u meenemen de tekst door, om te kijken wat er in dat verzoeningsritueel gebeurt. Het is onmogelijk voor de zondige mens om te leven in de nabijheid van de deze Heilige God, maar toch zien we in het hele Oude Testament, dat God toch telkens weer bij de mensen woont. Zo leeft ook Israel hier in de woestijn in Gods nabijheid, God woont in de tabernakel in hun midden. Hoe kan het dat Gods heiligheid hen niet vernietigd?

Daar raken we aan het geheim van de verzoening,
dat is wat verzoening bewerkstelligt,
dat dit onmogelijke toch mogelijk is.

Het eerste wat de hogepriester moet doen, nog voor de verzoening kan plaatsvinden, is dat hij zijn kleurrijke met edelstenen bezette priesterkleding verwisselt voor eenvoudige witte linnen kleding, als teken van reinheid. Dan neemt de priester enkele brandende kolen van het altaar en doet die in een schaal. Met deze schaal gaat de priester de tent binnen.

In de tent is het zo half donker. Als je er zo inkijkt spreekt dat tot de verbeelding. Er brandt slechts een enkele kandelaar met 7 olielampjes daarop. De muren zijn geheel van goud, dat moet hebben geflonkerd door het licht van de olielampjes. De priester gaat er naar binnen met de schaal met de brandende kolen. Deze schaal zet hij neer achter het gordijn. Bovenop die brandende kolen legt hij kruiden en specerijen die daardoor gaan roken en ruiken, zodat deze ruimte gevuld wordt met de rook van de wierook. Door de rook van de wierook wordt de aanwezigheid van God in een wolk boven het verzoendeksel aan het oog van de priester ontnomen. Want geen mens kan rechtstreeks Gods aangezicht zien en blijven leven. In het naderen tot voor Gods aangezicht, moet Gods aangezicht daarom allereerst bedekt en verborgen worden.

Dan begint de verzoeningsrite.

Nadat de priester voor zichzelf verzoening heeft gedaan, doet hij verzoening voor het volk. Hij neemt een van de twee bokjes en gaat die 'offeren'. Dat wil zeggen, hij doet het leven van dat bokje naderen tot God. Hij slacht het dier (vers 15). De hals van het nog levende bokje wordt doorgesneden en al het bloed wordt opgevangen in een schaal. Zo heeft men in die schaal letterlijk het leven van dat bokje bij zich. Met dat bloed gaat de priester de tent binnen en betreedt hij de ruimte achter het gordijn, dat inmiddels geheel gevuld is met rook. Zo staat hij voor het Aangezicht van de HEERE.

Dat is wat je met offeren doet: Je nadert, op risico van leven en dood want je weet dat Gods toorn je zou moeten vernietigen, voor Gods aangezicht. Je nadert met je leven dat zondig is, dat gebroken is, dat onrein is. Maar je nadert niet alleen. Je neemt een ander leven mee, het leven van een dier, een leven dat gaaf is, dat rein is, dat ongebroken is.

Daar in die heilige ruimte gebeurt het wonder dat we verzoening noemen. Als mens nader je tot voor dat Aangezicht van God, tezamen met dat leven van een bokje. En daar, in de ontmoeting tussen God en de mens, verkiest God - dat is nou pure genade - verkiest God het leven van het bokje aan te nemen. In plaats van uw zondige en gebroken leven, neemt hij het reine en ongebroken leven aan. Waar het bokje het leven laat, vindt de mens het leven omdat de mens Gods nabijheid vindt.

6. Verzoenen is bedekken
Het onmogelijke is mogelijk geworden door het leven van dat bokje. Wat is er dan in die heilige ruimte gebeurd, dat de hogepriester weer levend naar buiten kan komen? We lezen dat de hogepriester zijn hand in de schaal met bloed heeft gedompeld, en het bloed op het verzoendeksel van de ark sprenkelt. Vervolgens doopt hij zijn hand nogmaals in die schaal met bloed en sprenkelt hij het zevenmaal voor het verzoendeksel.

Zo wordt dat blóed, dat leven van dat bokje, aan God gegegeven. Ik zei al dat het in het offeren gaat het niet zomaar gaat om het sterven van een dier, of over het verbranden van een dood dier. Het gaat het erom dat er een leven gegeven wordt, en dat dat leven aan God gegeven wordt. In de verzoening gaat het in Jezus' kruisdood dan ook niet om het sterven op zich. Dan hadden we allemaal verzoening kunnen bewerken, want allemaal sterven we. Het gaat erom dat er leven wordt gegeven. Wij kunnen geen leven geven, als mensen zijn wij zondig en dood. Als wij sterven, dan komt er aan dat zondige en dode bestaan ook fysiek een einde. Maar Jezus was zonder zonde, hij was rein. Hij heeft werkelijk 'leven' in zich. Hij kan daarom ook 'leven' geven. In de kruisdood sterft dat leven dan ook niet zomaar, maar in de kruisdood wordt het leven aan God gegeven: in uw handen, beveel ik mijn geest. Daarin ligt het verzoenende werk van Jezus, dat hij zijn reine en gave leven aan God gaf.

Daarin zien we dan ook direct, dat het bloed niet voor ons bestemd is, maar het is voor God. Verzoening betekent letterlijk 'bedekken'. Bedekken. Maar niet wij worden bedekt met het bloed van Jezus; Jezus' bloed bedekt niet onze zonden, maar Jezus' bloed is aan God gegeven, het bedekt God zelf.

Dat zien we hier in Leviticus 16 letterlijk zo gebeuren: Het bloed van het bokje wordt voor het verzoendeksel gesprenkeld. Herinnert u zich, dat dit de plek is waar God zelf aanwezig was in een wolk (vers 2). Het bloed wordt letterlijk voor God, over zijn aanwezigheid gesprenkeld. Het bloed wordt over God gesprenkeld. Zo wordt God met het bloed bedekt.

De mens kan de rechtstreekse aanwezigheid van God niet verdragen, Gods heiligheid vernietigd ons. Maar in de verzoening wordt God bedekt met het bloed. Zo kunnen we in Gods nabijheid verkeren, zonder vernietigd te worden. Die bedekking van God beschermt ons tegen zijn toorn. Dat is ook wat de tabernakel als geheel uitbeeld. God woont bij zijn volk, maar om Israel te beschermen tegen Gods directe aanwezigheid is God bedekt aanwezig. God is bedekt door de vele kleden van de tabernakel. Op dezelfde wijze maakt verzoening het mogelijk dat

God bij de mens kan wonen, omdat God bedekt wordt door het bloed.

7. God heeft zich met de wereld verzoend
Omdat God bedekt is met het bloed, daarom kan Paulus ook zeggen dat God in Christus de hele wereld met zichzelf verzoend heeft. Het is waar, veel mensen kennen God niet, hebben hun zonden niet beleden, nog niet om vergeving gevraagd. Maar God is al bedekt met het bloed, zodoende is God al met ieder mens verzoend.

In Leviticus komt de hogepriester naar buiten en verklaart dat het hele volk Israel met God verzoend is. Nog niemand van hen heeft schuld beleden, zonden opgebiecht en om vergeving gevraagd. Nog niemand van hen heeft iets gedaan, maar ze zijn al wel verzoend met God. Eerst wordt het volk de genade verkondigd, dan pas is er sprake van schuldbelijdenis.

Pas nu, nu de verzoening al geschied is, is er sprake van een tweede bokje waar de hogepriester zijn handen op legt. Hij belijdt alle schuld en zonden van het volk en stuurt het bokje met de zonden de wildernis in. Alle zonden worden niet alleen beleden. Ze worden ook daadwerkelijk uit het midden van Israel weg gedaan.

Dit leert ons, dat we niet eerst al onze zonden hoeven te belijden, in de hoop dat God zich dan met ons verzoend. Het is juist omgekeerd. Eerst mogen we naderen tot in de nabijheid van God. Eerst vindt er verzoening plaats. En juist die intieme persoonlijke nabijheid met God, die werpt licht op ons leven. Vanuit die eerste beweging naar binnen toe, komt er daarom automatisch een tweede beweging op gang: Een beweging naar buiten. We verbannen alle zonden naar buiten, we doen alles wat fout is uit ons midden weg. We belijden onze fouten, oneerlijkheid, bedrog dat er in ons leven heerst, dat we niet integer zijn in wat we aan onze man of vrouw of aan een ander toezeggen te doen, onbetrouwbaar in de dingen die mensen ons toevertrouwen, allerlei wijzen waarop wij onrein met seksualiteit omgaan, onreine gedachten.

Juist omdat we eerst in die nabijheid bij God zijn geweest, hebben we er de kracht en het inzicht voor om ons leven te heiligen. God is nu bij ons, met ons, we hoeven het niet alleen te doen.

8. Gods verzoende daad
Ik wil vanochtend eindigen met nog eenmaal te focussen op dit laatste punt, van Gods nabijheid. Verzoening is altijd Gods werk. Ik vind het een van de mooiste dingen van deze tekst uit Leviticus, om te zien wat Gods werk, Gods taak dan is in die verzoening.

Lees deze tekst nou nog eens door en vraag uzelf eens: wat doet God in deze tekst?

De mens nadert tot God, de hogepriester gaat het heiligdom binnen. Maar wat doet God? Als God degene is die de wereld verzoent, wat is het dan dat God eigenlijk doet.

God....God doet niks.

Er is geen enkele zin waarin staat dat God iets doet.

God doet niets, behalve daar ter plaatse present zijn, aanwezig zijn.

Daarin ligt alles.

Laten we ons goed realiseren welke andere opties God had. Er naderden tot Hem mensen met hun zonden. Optie 1: God had even zo gemakkelijk de mens kunnen verlaten. De mens in de steek kunnen laten, teleurgesteld en gekwetst door hun ontrouw, hun bedrog.

Optie 2: God had kunnen besluiten zich geheel te openbaren. Te laten zien wij Hij werkelijk is, met al zijn heiligheid en rechtvaardigheid. Gods toorn had de mens kunnen vernietigen.

Maar wanneer we over het wonder van de verzoening spreken, dan zien we dit:
Ondanks dat een zondig mens tot God nadert, doet God niks:
Hij verlaat de mens niet
Hij vernietigt de mens niet
Maar God is met ons.

Ik vind het de mooiste naam van Jezus uit de bijbel,
In geen enkele andere lezen we zo duidelijk terug,
in een woord samengevat, wat verzoening is:
De engel komt tot Jozef en zegt:
De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren,
en men zal hem de naam Immanuel geven,'
- en dat betekent, niets meer en niets minder dan -
'God met ons'.

God is met u. God heeft zich met u verzoend.


Namens Christus, vraag ik u:
Verzoen u met God.

God is met u.

Hij verlangt ernaar dat u ook bij Hem bent.

Amen

www.IlonkaTerlouw.nl | www.IlonkaTerlouw.com


  • Agenda

    eerstvolgende preekbeurten 2015:

    5 april
    Apeldoorn De Fontein

    12 april
    Boskoop De Stek

    19 april
    Baambrugge

    26 april
    Goede Herderkerk Huizen

    3 mei
    Ter Aar

    10 mei
    Vuren

    17 mei
    Bevestigingsdienst Tollebeek

    24 mei (Pinksteren)
    Intrededienst Tollebeek

    31 mei
    Nieuw Vennep

    7 mei
    Tollebeek
    Bevestiging Ambtsdragers

    14 mei
    Tollebeek
    Heilige Avondmaal

    Meer agenda