Mozes' doodswens

De functie van Mozes' gebed in Numeri 11:4-35
Drs. Ilonka Terlouw
(artikel n.a.v. doctoraalscriptie)

Drs. Ilonka Terlouw studeerde in 2007 af op het vakgebied Oude Testament aan de Universiteit Utrecht. Zij is nu werkzaam als promovendus aan de PThU op het vakgebied van de Praktische Theologie.

Summary in English
Moses' death wish - This article analyses the function of Moses' prayer in Numbers 11:4-35. In his prayer (verses 11-15) Moses is strong, emotional and personal in his accusations of YHWH. To determine the function of this prayer within the structure of Numbers 11:4-35, a synchronic approach has been chosen. The goal of this synchronic approach is to analyze and describe the main narrative program of Numbers 11:4-35. This conceptual analysis is based on a textual analysis, in which both lingual and narrative aspects of the text are analyzed, and an analysis of the context.
In the main storyline the Israelites are confronted with YHWHs anger; Moses plays a neglectable role. Moses, instead, plays an important role in the embedded text which consists of his prayer and YHWHs reaction (vv. 11-30). Moses' prayer turns out to be functional for the primary story line as it changes YHWHs anger. Instead of being a treat to the people by abandoning them, YHWHs anger becomes the instrument by which YHWH wins his position back in the midst of the people.

1. Inleiding: Een opvallend gebed
'Dood me dan toch hier en nu!' spreekt Mozes tot JHWH in Numeri 11:15b. Een opvallende frase in een gebed (Num. 11:11-15) dat gekenmerkt is door grote woede, misschien zelfs wanhoop gezien deze doodswens. Wanneer het volk weent om vlees (4-10) en Gods toorn ontbrandt (10), spreekt Mozes dit gebed (11-15) uit. Mozes lijkt te zeggen, dat hij zijn rol als volksleider niet langer wil vervullen. Waarom vraagt hij JHWH niet eenvoudig om hulp? Waarom wordt Mozes hier tot zulke woede en wanhoop gedreven en in eerdere (of latere) gevallen niet? Het klagende volk is een situatie zoals Mozes toch al vaker had meegemaakt?

De grote woede en heftige beschuldigingen tegen JHWH lijken ook moeilijk te rijmen met de intieme vriendschap tussen Mozes en JHWH. De grote Man Gods, die met God sprak als met een vriend van 'aangezicht tot aangezicht' (Ex. 33), staat haast als vijand tegenover God. Ook van voorbede tegenover de ontbrande toorn van JHWH (10) lijkt geen sprake te zijn. Tegenover de Deuteronomistische geschriften die een ideaalbeeld van Mozes als profeet schilderen (vgl. Deut. 18 en Deut. 34:10), lijkt Numeri 11 Mozes af te schilderen als antiprofeet: En hij wil het volk niet meer leiden En hij verzaakt voorbede te doen voor het volk. Toch lijkt God niet beledigd of gekrenkt door Mozes' aantijgingen.

Gods reactie is overigens niet eenvoudig te duiden. God belooft de geest van Mozes over 70 oudsten te verdelen. Hoe vormt dit een antwoord voor Mozes? Wat heb je aan 70 oudsten als je een heel volk van vlees moet voorzien? Wat is hun functie als JHWH vervolgens zelf voor kwakkels zorgt? De exegeten verschillen dan ook van mening of God Mozes helpt of straft. Mozes ontvangt weliswaar hulp in de vorm van 70 oudsten, anderzijds wordt daartoe wel de zegen van Gods geest die op Mozes rust verminderd. Wanneer in de slotpassage het volk na de kwakkels, alsnog door een grote plaag getroffen wordt, is het helemaal niet meer duidelijk wat de functie van Mozes' gebed in dit verhaal is geweest.

2. Vraagstelling en methodiek
De vraag naar de functie van het gebed van Mozes kan niet beantwoord worden door middel van een diachrone benadering van de tekst. Zij vraagt naar de plaats van dit gebed binnen de opbouw van het verhaal in zijn huidige vorm. In de interpretatiegeschiedenis van de tekst is daar weinig aandacht voor geweest. De vraagstukken zijn vooral opgelost door de tekst als een samenvoeging van verschillende tradities te zien. Het verhaal over de kwakkels wordt meestal gezien als het meest oorspronkelijke verhaal, dat oorspronkelijk (mogelijk enkel in de voorliteraire fase) positief van inhoud was en verhaalde over Gods genadige voorziening in de wildernis. Door verschillende toevoegingen is deze oorspronkelijke traditie, of bij het optekenen of later, omgewerkt tot een murmureringsverhaal waarin het volk gestraft wordt. Later is aan dit verhaal het verhaal over de oudsten toegevoegd (verzen 14-17 en 24b-30). Hoewel over de precieze (bronnen)verdeling onzekerheid bestaat, wordt zo ook het gebed van Mozes opgedeeld over twee bronnen en is er geen aandacht voor de functie van het gehele gebed binnen het huidige verhaal.

Een synchrone benadering kan de interne dynamiek van de perikoop bloot leggen en als onderdeel daarvan de functie van Mozes' gebed wel analyseren. Deze benadering begint bij de visie dat teksten conceptual entities zijn. Een tekst is opgebouwd uit aannames, vooronderstellingen en concepten. Het samenspel van deze concepten vormt het 'gedachtensysteem', de conceptuele structuur, van de tekst. Deze conceptuele structuur is verantwoordelijk voor de compositie van de tekst en geeft betekenis aan tekstuele gegevens als grammatica en syntaxis. Door middel van een zorgvuldige bestudering van de Hebreeuws grammatica en syntaxis en een analyse van het verhaal dat daarin beschreven wordt, kan de literaire opbouw van de tekst geanalyseerd worden. De analyse van teksttype, zintype en werkwoordvormen vormt de basis van de tekstanalyse. Zo ontstaat zicht op de primaire en ingebedde verhaallijnen. Dan volgt een analyse van acteurs, lexicale verbanden en verhaalelementen als ruimte en focalisatie. Om de tekst recht te doen mag het tekstcorpus waar deze tekst deel van uitmaakt niet uit het oog verloren worden en zijn enkele vergelijkende analyses op zijn plaats, ondanks dat de nadruk in dit artikel op de tekstuele analyse ligt. Zo ontstaat een beter zicht op de concepten die een rol spelen in Numeri 11.

Vanuit deze tekstuele en vergelijkende analyses moet vervolgens teruggevraagd worden naar de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan het verhaal (de 'geschiedenis' van het verhaal ) en naar de concepten die door deze gebeurtenissen gecommuniceerd worden. Het samenspel tussen deze concepten vormt de 'handelingslogica' waardoor de verschillende gebeurtenissen met elkaar verbonden zijn. Vanuit deze handelingslogica kan tenslotte het main narrative program van Numeri 11:4-34 worden opgesteld dat de functie van Mozes' gebed bloot kan leggen. 

3. Tekstanalyse

Openingsscene: Het volk en het manna (4a-10a)

4a Toen het verzamelde volk,
4b dat in hun midden was
4c buitengewoon hunkerde,
4d zaten ze neder
4e en weenden de Israëlieten luid

Het 'hunkeren van het verzamelde volk'  vormt weliswaar de inzet van het verhaal, maar niet de hoofdlijn. In een narratieve tekst vervullen wayyiqtol- en qatal-zinnen een narratieve functie.  De qatal-vorm beschrijft de secundaire verhaallijn.  Dit betekent dat deze perikoop, door de qatal-vorm in vers 4c, opent met een secundaire verhaallijn. De hoofdlijn van het verhaal begint pas met de wayyiqtol-vormen van 4d-f: het gaat in het verhaal bovenal om het 'wenen van de Israelieten'. Het suffix van 4b wees al naar hen vooruit en nominalisatie introduceert deze hoofdpersoon met nadruk in 4d.

De secundaire verhaallijn van 4a-c vervult een verklarende functie: door het hunkeren van een samengeschoold groepje vreemdelingen, wenen ook de Israelieten. 4a is daarbij door de vooropstelling van het zelfstandig naamwoord actor-geortienteerd in plaats van actie-georienteerd.  Deze actor-orientatie van 4a-c vraagt speciale aandacht voor het feit dat de Israëlieten zich laten leiden door dit 'verzamelde volk dat in hun midden is'. Was er niet Iemand anders in hun midden, door wie zij zich hadden moeten laten leiden?

De klacht van het 'verzamelde volk' wordt beschreven als 'buitengewoon hunkeren'. Deze woorden benadrukken het ongebreidelde verlangen, waarbij de klacht van de Israelieten aansluit. De onbepaalde vraag met imperfectum moet modaal vertaald worden als wens. Deze wens is aan niemand gericht: noch aan Mozes, noch aan JHWH. Niet de vraag of en wie er voor vlees gaat zorgen staat centraal, maar enkel hun onbeheerste verlangen. De verteller versterkt dit beeld van de Israelieten, door de al langer wordende opsomming van voedsel, die vooral een poging lijkt van van de Israelieten om zichzelf te overtuigen. Verblind en geemotioneerd wenen ze om vlees, terwijl ze in Egypte vanalles behalve vlees kregen.

Maar dat is niet het enige. De verteller laat het daar niet bij. In vers 6 focaliseert hij dat er slechts 'in de ogen' van de Israelieten niets is, waarna hij in de verzen 7-9 vervolgens zijn visie op de gebeurtenissen laat zien. De verzen 7-9 vallen op door het ontbreken van imperfecta consecutiva die narratieve teksten karakteriseren. De verzen 7 en 9 zijn beschrijvend van karakter en bepalen zo ook het karakter van vers 8, dat ondanks de weqatal-vormen niet narratief maar beschrijvend van karakter. (Het veronderstelde object van vers 8 is het manna. Daarmee is vers 8 afhankelijk van 7 waarin dit manna genominaliseerd subject is. ) Door te spelen met woorden laat de verteller in deze verzen zien dat hun klacht van geen kanten klopt. Nu (contrasterend) zijn hun kelen droog, zo zonder de watermeloenen. Maar juist het manna daalt met de dauw neer op het kamp. Voor het gratis voedsel in Egypte betaalden ze een hoge prijs, terwijl het manna dagelijks voor het oprapen ligt - gratis!

De wayyiqtol-vorm in vers 10a zorgt voor een passende afsluiting van de scene. Zij pakt de verhaallijn weer op en sluit door renominalisatie van 'het volk' aan bij vers 4. Het vers schets een gelaten beeld waarin de hele voorafgaande scene wordt samengevat: het volk zit rouwend voor haar tenten zit en ziet niet om naar haar leider Mozes. Van JHWH is in deze scene geen sprake.

Scene 2: Toorn van JHWH en Mozes' bezwaar (10b-23d)

10b Toen ontbrandde de toorn van JHWH zeer,
10c maar in de ogen van Mozes was dat kwaad.
11a Daarom sprak Mozes tot JHWH:

Na de openingsscene, verplaatst het verhaal zich van het kamp naar de tent waar een heftige discussie tussen Mozes en JHWH plaatsvindt. De tweede scene begint met vers 10b: de WayX-zin introduceert een nieuw subject en grijpt niet terug op eerdere verzen. 10b vormt daarom een nieuwe paragraaf op gelijk niveau met vers 4d (zelfde zins-constructie) en zet de primaire verhaallijn voort: JHWHs toorn ontbrandt over de wenende Israelieten. De inbedding van vers 10c (Mozes' woede) is lastig, omdat het object van de zin niet zondermeer duidelijk is. 'Iets' is kwaad in Mozes' ogen. Als nominale zin kan ze echter niet de inzet van een nieuwe paragraaf vormen en hoort ze bij het voorafgaande vers 10b. Door de beknoptheid van de tekst in vers 10b en c wordt er in het verhaal een spanning gecreeerd naar de inhoud van Mozes' woede. Waarom is Mozes zo boos? Wat heeft JHWH dan gedaan?

Als Mozes JHWH in 11a aanspreekt, begint daarmee een nieuwe paragraaf (WayX-zin). Het is echter een ingebedde paragraaf, omdat Mozes al in vers 10c genoemd was. Alle verzen van vers 11a tot en met 30a vormen ingebedde tekst. Mozes' woede en Gods antwoord daarop onderbreken en vertragen het verhaal van de wenende Israelieten en Gods toorn daarover. In het primaire verhaal wordt deze grote hoeveelheid ingebedde tekst summier samengevat: Mozes ontsteekt in woede (10c). De lengte van de verteltijd die door middel van de ingebedde tekst aan Mozes' woede wordt besteed, wijst echter op het belang van deze gebeurtenis.

Mozes' gebed (11-15) is dus een reactie op Gods toorn (10b > 10c > 11a). Het semantische verband 'kwaad' in 10c, 11b en 15d bevestigt dit. Seebass stelt: 'Zwischen die Erkennbarkeit des Zorns 10 en dessen Auswirkungen 33b tritt retardierend das Mittelstück 11-32. In ihm geht es um eine Klage des Mose 11-15, die allerdings das sich abzeichnende Unheil gar niet verhindert, ja nicht einmal darauf eingeht.' De tekstuele analyse laat zien dat Mozes' klacht juist zowel grammaticaal als lexicaal afhankelijk is van JHWHs toorn.

Mozes' klacht is door de openingsvragen te duiden als een verwijt. Daar blijft het echter niet bij. Mozes wil iets gedaan krijgen. Daar wijzen de werkwoordsvormen in vers 15 op (imperatief + partikel na, infinitivus absolutus; cohortativus ), en wel van JHWH die in alle gevallen de aangesprokene is. Daarbij wijst de sterk benadrukte 1e persoon erop dat de kwestie Mozes persoonlijk raakt.

Vers 12d-f is opvallend: Mozes citeert JHWH, maar het citaat is noch in Numeri 11, noch elders in Exodus of Numeri terug te vinden. De woorden kunnen bedoeld zijn als verwijzing naar Exodus 3 of 33. Echter, de werkwoordsvorm (yiqtol, 12c) heeft in de directe rede geen terugblikkende functie. Nee, Mozes citeert de woorden die JHWH zojuist gesproken heeft. De toorn van JHWH (10b) vormde een ellips. De lezer bleef in het ongewisse wat JHWHs toorn precies inhield. Het citaat vormt een (interne) retroversie ter opvulling van deze ellips. In zijn toorn heeft JHWH gesproken niet langer voor het volk te willen zorgen. Zo komt alle last op Mozes' schouders alleen te rusten. Daarom roept Mozes JHWH ter verantwoording. Vers 12 verondersteld immers dat JHWH degene is die het volk heeft voortgebracht. Hij moet daarom voor het volk zorgen. Mozes zou niet weten waar hij vlees vandaan moet halen. Ook het benadrukte 'gij' in de verzen 12c, 12g en 15a wijzen JHWH aan als degene die verantwoordelijk is voor het volk. Het volk is zijn volk. Mozes is niet allereerst woedend op het volk, maar op JHWH!

JHWH gaat vervolgens woordelijk op Mozes' gebed in: Mozes hoeft het volk niet alleen te dragen (14 en 17g). Maar biedt dit Mozes uitkomst? Had Mozes niet JHWHs hulp verondersteld (14a, vgl. 12a-b)? Vanaf het eerste woord laat JHWHs antwoord echter zien, dat er meer achter zit. Het eerste woord is 'verzamelen'. Een woord dat vers 4 in herinnering roept. Tegenover het 'verzamelde volk', wordt nu een andere groep mensen verzameld. Deze groep wordt echter voor JHWH zelf verzameld (topicalisatie: Li!). Niet langer zien we de Israelieten met een groep opstandelingen in hun midden, maar een groepje oudsten in wiens midden JHWH neerdaalt. De tent en het neerdalen van JHWH bevreemden overigens wel: is JHWH dan niet permanent onder het volk aanwezig?

JHWH gaat vervolgens ook woordelijk in op de klacht van het volk. En JHWH is precieser dan Mozes. Mozes citeerde de klacht van het volk als aan hem gericht (13e-f), maar JHWH stelt dat het volk heeft geweend 'in zijn oren' (18d). Zo gaat de vraag 'wie zal...' een letterlijke rol spelen: Niet Mozes, maar JHWH zal voor vlees zorgen. Daarbij maakt JHWH duidelijk dat vlees het probleem niet is. Het geromantiseerde beeld van Egypte (18g en 20), wijst erop dat het volk van God heeft verworpen (20d-g). Als de Israelieten vragen naar het 'waarom' van de uittocht, hebben ze van Gods aanwezigheid in hun midden niets begrepen: juist dat was de reden dat ze uit Egypte vertrokken (vgl. Ex. 29).

Toch is het verhaal hier niet mee ten einde. Nogmaals ontwikkelt zich zo een ingebed verhaal. Vers 21a vormt door het ontbreken van het object geen gelijke zin met 11a en 16b en luidt dus een ingebedde paragraaf in. Twijfelt Mozes hier aan JHWHs macht? Voor de derde keer keert hier de frase terug 'in het midden van'. Raakt Mozes zo niet opnieuw de kern van de zaak: Het volk heeft JHWH verworpen en hij hen. Hij ziet zichzelf nog immer alleen 'in het midden' van het volk (21c). Hoe kan JHWH voor vlees zorgen als Hij het volk heeft verlaten? Het verhaal biedt een interessante opening wanneer JHWH stelt dat Mozes zelf zal zien of het woord van JHWH hem zal overkomen of niet.

Scene 3: De ontmoetingstent en het kamp (24-30)

29c Was heel JHWHs volk maar profeet,
29d doordat JHWH zijn geest op hen zou geven!

De wisseling in acteurs en plaatsbepalingen (van tent naar kamp in 24a en 30a) markeren de afbakening van deze scene. De vele plaatsbepalingen zijn kenmerkend voor deze scene: Mozes gaat naar het kamp (24b, 30a), de oudsten worden verzameld rondom de tent (24d), JHWH daalt daar af (25a). Zo ontstaat een tegenstelling tussen kamp en tent. De tent is de plaats waar JHWH neerdaalt, het kamp is de plek waar hij afwezig is. Hoe opvallend dat de oudsten aan het slot van de scene (30a) in het kamp verzameld(!) worden.

De in deze scene beschreven uitvoering van Gods antwoord aan Mozes wordt onderbroken door een opvallende scene die zich, onaangekondigd, in het kamp afspeelt. De verzen over Eldad en Medad (26a-29d) zijn wederom ingebedde tekst (tertiaire verhaallijn; evenals Mozes' twijfel in 21-23!), ingebed in de secundaire verhaallijn rondom Mozes' woede, Gods antwoord en uitvoering daarvan. Een ingebed verhaal verklaart, verdiept of spiegelt het verhaal waarin het is ingebed.  Hier wordt in zowel de secundair als tertiair ingebedde tekst gesproken over het 'neerdalen van de geest' en 'profeteren'. Deze gelijke formuleringen en gebeurtenissen wijzen erop dat met Eldad en Medad hetzelfde plaatsvindt als met de overige oudsten. Door de Geest worden de oudsten (representanten van het volk) representanten van God zelf. Het verschil zit in de plaats waar beide gebeurtenissen plaatsvinden. Daar wijst de tekst zelf op: de woorden 'kamp' omsluiten vers 26a-g en contrasteren met 'tent' in 26f. JHWH is nu ook neergedaald op zijn 'geliefden' (Eldad en Medad) in het kamp.

Toen Mozes twijfelde en aan JHWH vroeg waar het vlees vandaan zou komen (tertiaire verhaallijn), antwoordde JHWH dat Mozes tot inzicht zou komen door 'het woord' dat 'aan hem' zou geschieden (23c-d). Is het 'woord aan Mozes' niet de verdeling van de geest die in deze derde scene geschiedt? En is het niet in deze uitroep van Mozes (29c-d) dat Mozes tot inzicht komt? Zo wordt de verhouding tussen scene 2 en 3 al duidelijker: Wanneer Mozes vraagt naar het vlees, wordt hij gewezen op de geest.

Deze 'geest' is tegelijk het lexicale verband dat naast het woord 'verzamelen' alle drie verhaalniveaus samenbindt (1: het wenende volk; 2: Mozes en de oudsten; 3: Eldad en Medad). De ruach die op Mozes rust, wordt verdeeld over de oudsten (25c), maar daalt ook op Eldad en Medad neer (26d). En als Mozes wenst (29d) dat JHWH zijn ruach over heel het volk geeft, is dat niet wat er, ironisch genoeg, gebeurt in vers 31, wanneer JHWH een ruach zendt?

Slotscene: Het volk en de kwakkels (31a- 35b) 

32a Het volk stond op.
32b Ze verzamelden de kwakkels [..]
32d en spreidden ze voor zich uit rondom het kamp.
33a Het vlees was nog tussen hun tanden, 
33b het was nog niet op,
33c - want de toorn van JHWH was onder het volk ontbrand -
33d toen JHWH het volk met een zeer grote plaag sloeg.

In de slotscene wordt alles uit de eerste scene omgedraaid. Ook nu beschrijft een getopicaliseerd subject + qatal-vorm (vers 31, een wind brengt kwakkels) de aanleiding voor het primaire verhaal en begint de primaire verhaallijn pas weer bij de Israelieten, in vers 32 (wayyiqtol-vormen met genominaliseerd subject ). Het volk dat neerzat vanwege een verzameld groepje in hun mi­dden, staat nu op vanwege de kwakkels die rondom het kamp neerdalen. Dit voedsel van de zee, vervangt het hemelse manna. Maar sappig is het allerminst: hun kelen waren niet droog zonder vlees, maar worden droog daar de kwakkels die gedroogd gegeten worden.

De primaire verhaallijn van vers 32a gaat verder en eindigt met de plaag van JHWH in 33d. Door de gelijke zinsconstructies van 32a en 33d (wayyiqtol-zinnen met genominaliseerd subject) vormen dit paragrafen op gelijk tekstniveau. Het tussenliggende vers 33c roept tegenover vers 10c de vraag op naar het opnieuw ontbranden van JHWHs toorn. Echter, vers 33c is wederom een qatal-zin met getopicaliseerd subject (de toorn van JHWH) waarin het gaat om een secundaire verhaallijn die de hoofdlijn van 33d moet verklaren. Daarbij, vers 33c introduceert geen nieuw subject, maar grijpt terug op de eerder ontbrande toorn van JHWH in 10b. Deze constructie verklaart ook waarom 'het volk' in twee opeenvolgende zinnen wordt gerenominaliseerd (33c en d). Beide zinnen vormen de afsluiting van verschillende tekstgedeeltes, waarin het gebruikelijk is dat het object nogmaals expliciet genoemd wordt: vers 33c gaat terug op vers 10b, vers 33d vormt een eigen en van vers 33c onderscheiden paragraaf en sluit de verhaallijn van 32a af. Deze inbedding bepaalt de vertaling van vers 32b als 'flashback'.

De gevolgen van het verhaal worden in een nawoord beschreven: degenen die hunkerden zijn gedood. Zo vormt het nawoord een lexicale inclusio met het voorwoord (vers 4). De verteller formuleert door deze inclusio het thema waarbinnen het verhaal zich afspeelt. Het verband tussen begin en einde wordt versterkt door de woordspeling rondom het woord 'verzamelen'. Het verzamelde volk hunkerde, maar nu verzamelt het hunkerende volk.

Omdat vers 35 de plaatsnaam van 34a opneemt, pleit ik ervoor het vers bij de perikoop te houden. Ook door de herhaling van het werkwoord [sn in 31a en 35a vormen deze verzen een eenheid.

4. Vergelijkende analyse

De woestijnreis
De reisnotitie van vers 35 zorgt voor expliciete inbedding van de perikoop in het verhaal van de woestijnreis. De serie reisnotities (Ex. 12:37 - Num. 22:1)  die samen de woestijnreis vormen, beschrijven de reis van Egypte naar het beloofde land. De reis eindigt aan de grens van Kanaan. Het land blijft tot op het laatst een belofte. Het gaat tijdens de reis dus om geloof in JHWH en de belofte die hij heeft gegeven. Jobling werkt dit verder uit. De woestijnreis is een tijd waarin Gods zegen wel i­s (etre), maar niet altijd zichtbaar (paraitre) is. Deze situatie vraagt om geloof.  Echter, Numeri 11 wijst er niet op dat de zegen van God (manna) niet zichtbaar is, maar dat de Israelieten het niet zien. In de woestijnreis speelt dit motief van 'zien' telkens een rol: de juiste perceptie van de situatie leidt tot geloof aan JHWH (en zijn belofte). Juist door de uittocht (Ex. 14) waar in Numeri 11 zo duidelijk aan gerefereerd wordt (20h), wordt duidelijk hoe het zien van het heil (Ex. 14:13) moet leiden tot geloof aan JHWH en Mozes (31). 

Numeri 11 refereert ook aan een tweede belangrijke gebeurtenis tijdens de woestijnreis: de frase 'in het midden van' verwijst naar de Sinai. Deze vaste formulering is in de woestijntraditie verbonden met de Godstegenwoordigheid in tabernakel die bij Sinai werd opgericht (Ex. 29, 33, 40).  Dozeman wijst erop hoe het motief van het 'zien' zijn vervulling vindt in de oprichting van de tabernakel. Het volk hoeft nu niet meer te zien op 'het heil', namelijk de wonderen die JHWH door Mozes deed, maar kan op de aanwezigheid van JHWH zelf in hun midden zien. 

Nadere bestudering laat zo een tweedeling in de woestijnreis zien. Zoals het volk in Exodus 12ff voor het eerst optrekt na de exodus, zo trekt het volk in Numeri 10ff voor het eerst (Num. 10:13!) op na de Sinai. Vergelijk ook het overeenkomstig idioom in Exodus 12 en Numeri 11: 600.00 mannen, het vele vee en runderen, het vermengde volk dat meetrok. In beide gevallen begint het volk na 3 dagen te murmureren (Ex. 15:22/Num. 11:33). Door de gebeurtenissen bij de Sinai is er echter een fundamenteel verschil in hun situatie die niet onbelangrijk is voor het verloop van Numeri 11. Terugverlangen naar Egypte vormt nu een verachting van wat er bij Sinai is gebeurd. Door het verliezen van het zicht op JHWH, verliezen ze het zicht op hun heilrijke situatie.

Murmureringstradities
Deze structuur van de woestijnreis is ook belangrijk voor de analyse van de murmureringstradities in Exodus en Numeri. Kenmerkend is dat het volk 'murmureert' over het gebrek aan essentiele benodigdheden en terugverlangt naar Egypte waar alles zoveel beter was. Opvallend is dat de verhalen in Exodus en Numeri zo verschillend eindigen. Exodus kenmerkt zich door Gods genadige voorziening, Numeri door Gods toorn. Childs analyseert twee patronen:
1) gebrek / klacht / Mozes vraagt hulpt / God helpt  
2) geen gebrek / toorn / voorbede Mozes / verlichting straf
Childs wijst erop dat patroon 2 uitsluitend na de Sinai voorkomt, maar analyseert niet het verband tussen Sinai en de murmureringstradities.

In het boek Numeri staat de reis naar het beloofde land gekenmerkt door JHWHs aanwezigheid (Sinai) centraal. Tijdens de reis is JHWHs aanwezigheid bedoeld als een zegen voor het volk (Num. 10:29-33). Het goede dat hij belooft te doen, is het volk veilig in het land te brengen (vgl. Ex. 33). Ook in Numeri 11:4-35 wordt het kamp door de verteller (niet door de verschillende personages!) getekend als de plek van zegen. Het volk heeft niet te doen met gebrek aan voedsel of water (zoals in Ex. 16 en 17), maar ontvangt dagelijks voedsel uit de hand van JHWH. Sinds de Sinai kent het volk geen gebrek meer.

Tegelijkertijd vormt deze aanwezigheid van JHWH (ook getuige Ex. 32-33) een risicofactor voor het volk. In de priesterlijke traditie is JHWHs aanwezigheid verbonden met de cultus. Een ieder die het heiligdom nadert, hangt de dood boven het hoofd. Daar spreken ook de eerste hoofdstukken van Numeri van. In J wordt dezelfde basisthematiek van 'God in het midden' op een andere, deuteronomistische, wijze uitgewerkt. Hier is het niet het naderen tot het heiligdom, maar de zonde van het volk die JHWHs toorn doet ontbranden. J zien we terug in de murmureringsverhalen van Numeri 11, 12 en grote delen van 13, 14. De aanwezigheid van JHWH temidden van het volk wordt als direct gevaar gezien: als het volk zondigt zal JHWHs toorn ontbranden (vgl. Deut. 6:15). Daarmee is zijn aanwezigheid onder het volk in de vorm van de tabernakel in Numeri dus een risico factor voor het volk, dat sinds Sinaï niets geloviger is geworden. Dit verklaart de zware straffen die er vanaf Numeri 11 plaatsvinden. Met de veranderde situatie, verandert de reactie van JHWH.

JHWHs toorn en Mozes' voorbede
Het duidelijkste voorbeeld van JHWHs toorn geeft Exodus 32 en 33. JHWHs toorn kenmerkt zich door a) de intentie het gehele volk te vernietigen (Ex. 32:10), b) het straffen van de schuldigen door middel van plagen (Ex. 32:33), c) zijn afwezigheid onder het volk (Ex. 33:3). De vernietiging van het volk of de afwezigheid van JHWH zijn twee kanten van dezelfde medaille: of het volk is er niet meer, of JHWH is er niet meer. In beide gevallen doet Mozes dan ook effectief voorbede (Ex. 32:11-13 en Ex. 33:12-17). De voorbede van Mozes is erop gericht de verbreking van het verbond tussen het volk en JHWH te voorkomen. Deze voorbede is mogelijk omdat JHWH vooraf zijn intenties aankondigt. Deze intentieverklaring vooraf geeft Mozes de gelegenheid voorbede te doen (Ex. 32, 33, ook Num. 14, 16). Wanneer God in zijn toorn het verbond niet verbreekt, straft hij nog wel de schuldigen. Mozes' gebed kan dat niet voorkomen (Ex. 32:30-35). In Numeri zien we gelijkende patronen. In Numeri 14 kondigt God zijn toorn aan, doet Mozes voorbede en voorkomt daarmee verbreking van het verbond. De schuldigen worden echter wel gestraft en God trekt niet ten strijde in hun midden.

Daarnaast is nog een ander patroon herkenbaar in Numeri. Soms kondigt God zijn toorn niet aan, maar ontbrandt er een onbeheersbare plaag onder het volk. JHWHs aanwezigheid draagt dit risico in zich. De voorbede van Mozes krijgt in deze situaties de vorm van een klacht/noodroep (q[z). In Numeri zijn voorbede en noodroep aldus nauw met elkaar verbonden. Dit sluit aan bij het klacht-redding patroon in Exodus, waar met name in Exodus 5 en 17 Mozes' voorbede de vorm van een klacht heeft die ingaat tegen Gods schijnbare afwezigheid. Daarbij is een subtiele verweving tussen voorbede voor het volk en persoonlijke klacht herkenbaar: het lot van Mozes is door zijn zending namelijk onlosmakelijk met het lot van het volk verbonden is. Juist de zending van Mozes (en de belofte van Gods aanwezigheid die daarmee samenhangt) vormt in Exodus 33 weer het middel tot effectieve voorbede voor het volk.

In Numeri 11:4-35 komen een aantal van deze lijnen samen. De introductie van de perikoop door Numeri 11:1-3 wijst op het centrale thema van JHWHs toorn en de voorbede van Mozes als redmiddel. Dit pleit ervoor het gebed van Mozes in Numeri 11 als voorbede op te vatten. De vorm van het gebed als 'klacht' vormt daarvoor geen probleem. Mozes kan voorbede doen doordat JHWH zijn intenties aankondigt (vers 12). De dubbele vermelding van de toorn van JHWH wijst erop hoe JHWHs toorn door de voorbede van Mozes wijzigt in een straf voor de schuldigen.

De inhoud van JHWHs toorn wordt duidelijk in Mozes' gebed: JHWH wil het volk verlaten. De expressie van JHWHs toorn van JHWH in zijn afwezigheid sluit nauw aan bij Exodus 33. De parallel tussen beide teksten wordt versterkt door opvallende overeenkomsten: de toorn van JHWH wordt in beide tekstgedeelten een 'kwaad woord' genoemd, het volk 'zit een ieder voor zijn tent' en Mozes bidt in een tent buiten het legerkamp waar hij pleit voor het volk op grond van de 'genade die hij in JHWHs ogen' gevonden heeft. Evenals in Ex. 5 leidt de (schijnbare) afwezigheid van JHWH in Numeri 11 tot voorbede in vorm van een klacht waarbij lot van het volk nauw verweven is met de persoonlijk zending van Mozes. Slechts de afwezigheid van JHWH zelf kan Mozes tot zo'n grote wanhoop drijven dat de dood hem nog beter is.

5. Conceptuele analyse


Een reeks gebeurtenissen vormt de basis van het verhaal dat in de tekst beschreven wordt. Deze gebeurtenissen kunnen op meerdere manieren met elkaar in verband worden gebracht zodat ze een geschiedenis vormen. Daarom kan slechts gesproken worden van een structuur van de geschiedenis, en niet van de structuur. Dit wil echter niet zeggen, dat het opstellen van een structuur een betekenisloze bezigheid is. Een structuur geeft een mogelijke verklaring van de gebeurtenissen zoals die in een verhaal zijn opgetekend.

Geschiedenis
In het Hebreeuws beschrijven de narrativi vormen de gebeurtenissen. De tekstuele analyse wijst zo op 'het neerzitten en wenen van de Israelieten' als eerste primaire gebeurtenis, gevolgd door het ontbranden van JHWHs toorn, de Israelieten die de kwakkels verzamelen en de plaag die JHWH stuurt. In zijn simpelste vorm bestaat de geschiedenis van Numeri 11:4-35 uit de volgende vier gebeurtenissen:

1 A) Het volk zit neer en weent om vlees
2 B) JHWHs toorn ontbrandt
3 A') Het volk staat op en verzamelt kwakkels
4 B') JHWH slaat het volk met een plaag

Een gebeurtenis maakt deel uit van een proces. Een proces wordt gevormd door een elementaire reeks van gebeurtenissen: a) virtualiteit (mogelijkheid die wel of niet vervuld kan worden), b) actualisering en c) afsluiting. In een verhaal kunnen verschillende van deze elementaire reeksen elkaar opvolgen of ingebed zijn in elkaar (oorzakelijk of als specificatie). De uiteindelijke geschiedenis is een complexe verweving van meerdere elementaire reeksen. Om de functie van bovenstaande 4 gebeurtenissen te bepalen is het nodig de conceptuele betekenis van de gebeurtenissen te bepalen. Voor de interpretatie van deze gebeurtenissen is de informatie die de tekst zelf aandraagt de meest rechtstreekse interpretatieve basis. 

Het verzamelde volk in het midden van hen hunkert
1 A) Het volk zit neer en weent om vlees kamp
2 B) JHWHs toorn ontbrandt 
  In Mozes' ogen was dat kwaad 
  Een wind van JHWH brengt kwakkels 
3 A') Het volk staat op en verzamelt kwakkels woestijn
4 B') JHWH slaat het volk met een plaag 
  Het volk dat hunkerde wordt begraven

Het verzamelde volk vormt de aanstichter van het wenen van het volk. In het kader van de woestijnreis in Numeri is JHWH echter degene die in het midden van het volk woont. Zo wordt de conceptuele betekenis van gebeurtenis 1 duidelijk: Israël laat zich in haar gedrag leiden door het verzamelde volk dat in hun midden is. Zij zien daarmee niet op JHWH die in hun midden woont, maar verwerpen zijn aanwezigheid. Daardoor ontbreekt hen ook inzicht in de zegenrijke realiteit van het leven in het kamp.De betekenis van gebeurtenis 4 ligt in de dood van degenen die hunkerden. Gods toorn doodt de schuldigen.  Daarbij ligt de schuld niet in het eten van vlees, of de wens naar vlees, maar in het hunkeren dat is overgenomen van het verzamelde volk. Door de plaag wordt deze groep mensen op wie de aandacht gevestigd was uit het midden van de Israëlieten worden weggedaan. Zo wordt een samenhang van de gebeurtenissen duidelijk. Het volk verwerpt JHWH, en daarom ontbrandt zijn toorn. Gebeurtenis 1 en 2 zijn oorzakelijk met elkaar verbonden.

Gebeurtenis 1 en 2 hebben een parallel aan het einde van het verhaal in gebeurtenis 3 en 4. Het hoofdverhaal kent daarmee twee elementaire reeksen die met elkaar verweven zijn. De wens van het volk vormt een virtualiteit, maar ook de toorn van JHWH vormt een virtualiteit. Het ontbranden van JHWHs toorn is nog niet de uitvoering van zijn toorn. Gebeurtenissen 3 en 4 kunnen als actualiseringen van deze virtualiteiten worden beschouwd: het volk verzamelt vlees, JHWHs toorn uit zich in een plaag. In beide gevallen wordt de virtualiteit gerealiseerd.
De extra informatie rondom gebeurtenis 3 (vers 31) verklaart de herkomst van het vlees. Zo wordt de opeenvolging van 1 en 3 nauwer. De letterlijke vraag was: wie zal ons vlees te eten geven? In vers 31 blijkt dat JHWH vlees geeft. De afsluiting van deze elementaire reeks wordt beschreven in tekst die niet deel uitmaakt van de primaire verhaallijn: het volk eet het vlees (het was nog tussen hun tanden).

virtualiteit I: het volk zit neer en weent om vlees  
  JHWHs toorn ontbrandt - virtualiteit II
actualisatie I: het volk staat op en verzamelt kwakkels
afsluiting I: het volk eet kwakkels / het vlees was nog tussen hun tanden 
 
JHWH slaat het volk met een plaag - actualisering II  
  het volk dat hunkerde wordt begraven - afsluiting II

Deze twee simpele elementaire reeksen roepen een belangrijke vraag op. Dit wordt nog duidelijker wanneer de reeksen naar hun conceptuele betekenis worden geformuleerd:

virtualiteit I: het volk verwerpt JHWH: wie zal ons vlees geven?  
  JHWHs toorn ontbrandt - virtualiteit II
actualisatie I: het volk krijgt vlees van JHWH
afsluiting I: het volk eet het vlees  
 
JHWH slaat het volk met een plaag - actualisering II  
  JHWH heeft zijn tegenstanders gedood - afsluiting II

De vraag is: waarom zorgt JHWH voor kwakkels, terwijl zijn toorn ontbrand is? De enige informatie die nog niet besproken is, is dat Mozes in toorn reageert op JHWHs toorn. Zijn woede wordt in het primaire verhaal beschreven (10c) en in de ingebedde tekst uitgewerkt (11vv). De ingebedde tekst gaat dus een verklarende functie vervullen voor de geschiedenis. 

1 A) Het volk zit neer en weent om vlees
2 B) JHWHs toorn ontbrandt  
 
Mozes' woede en JHWHs reactie
3 A') Het volk staat op en verzamelt kwakkels
4 B') JHWH slaat het volk met een plaag

Wanneer wordt gekeken naar de tekstueel secundaire verhaallijn dan kunnen de volgende drie gebeurtenissen (die op zichzelf een afgesloten elementaire reeks vormen) onderscheiden worden:

1 Mozes is boos op JHWH - virtualiteit III
2 JHWH antwoordt Mozes: 2 beloften - actualisering III
3 Mozes voert JHWHs antwoord uit: vervulling 1 belofte - afsluiting IIIa

De tekstuele en vergelijkende analyse toonde Mozes' gebed als noodroep tegen de afwezigheid van JHWH. De kern van Mozes' verzoek is dat JHWH zelf het volk moet dragen. Hij bidt om JHWHs aanwezigheid. De 70 oudsten worden door de geestesgave tot leiderschap namens JHWH zelf. JHWH neemt de leiding van het volk daarmee voor zijn rekening. Hun profeteren vormt een zichtbaar teken voor Mozes van zijn aanwezigheid.

1 Mozes is boos op JHWH  
  Mozes wil dat JHWH het volk naar het - virtualiteit III  
  beloofde land draagt, zoals een verplegende een zuigeling 
  a) Mozes kan het volk niet van vlees voorzien - virtualiteit IIIa 
  b) Mozes kan de last van het volk niet alleen - virtualiteit IIIb 
  dragen 
2  JHWH geeft Mozes twee beloften 
  b') JHWH zal 70 oudsten aanstellen - actualisering IIIb 
  a') JHWH zal voor vlees zorgen - actualisering IIIa
3 Een belofte van JHWH komt uit  
 
b'') JHWH stelt 70 oudsten aan - afsluiting IIIb

In het ingebedde verhaal vindt de actualisatie van de tweede belofte niet plaats. De gave van de kwakkels maakt deel uit van de primaire geschiedenis.

JHWH wil niet meer voor het volk zorgen - virtualiteit II 
↓  Mozes wil dat JHWH het volk draagt - actualisatie II 
   JHWH belooft leiders aan te stellen en vlees te geven 
↓ JHWH stelt leiders aan voor de reis naar het beloofde land 
JHWH geeft het volk vlees - afsluiting IIa

Zo vervult de ingebedde geschiedenis een belangrijke functie voor de primaire geschiedenis. Zij brengt verandering in de actualisatie van JHWHs toorn teweeg. JHWH die niet meer voor het volk wil zorgen, wordt tegengewerkt door Mozes. Zijn toorn (zijn afwezigheid) wordt niet geactualiseerd, en vindt een negatieve afsluiting in de gave van de kwakkels. Dat de kwakkels een afsluiting vormen van de elementaire reeks die begon met 'JHWHs toorn', is duidelijk uit het feit dat JHWH zijn toorn niet geheel laat varen. Er zit nog steeds een straffend aspect in de kwakkels (vv. 18-20). Zo is het gebed van Mozes dus functioneel geweest. Zij heeft verandering teweeg gebracht in de relatie tussen JHWH en het volk. Daarmee vormt de plaag die JHWH stuurt een andere afsluiting van JHWHs toorn dan allereerst de bedoeling was. Evenals in andere situaties waarin JHWHs toorn ontbrandt, is Mozes' gebed waarin hij opstaat tegen JHWHs toorn effectief.

Een derde laag ingebedde teksten vormen Mozes' twijfel over de vleesbelofte, en de geschiedenis van Eldad en Medad. Beide gedeelten schetsen een tegenovergesteld beeld: Mozes ziet zichzelf temidden van het volk en maakt zich zorgen hoe zij vlees krijgen (21-22). In vers 29c-d spreekt hij over het volk als JHWHs volk, en wenst dat zij allen zijn geest krijgen. Deze teksten vormen vooral een uitleg voor Mozes en de lezer van de secundaire tekst (de oudsten). JHWH is in het kamp aanwezig bij twee geliefde mensen van zijn volk en laat zien dat hij zijn volk niet in de steek laat. Mozes ziet in het profeteren van de oudsten Gods handelen. De nieuwe groep leiders wordt in het kamp vergaderd. Tegenover het verzamelde volk, heeft JHWH een nieuw volk verzameld, dat niet gekenmerkt wordt door hunkeren naar vlees (c.q. het volk aanzet terug te verlangen naar Egypte), maar door de geest (c.q. het volk zal leiden naar beloofde land). Als we vervolgens lezen hoe de kwakkels neerdalen rondom het kamp, gaat het verhaal van Eldad en Medad ook al meer een spiegelverhaal vormen: Het kamp is de plek van de zegenrijke aanwezigheid van JHWHs Geest bij zijn geliefde volk, de woestijn is de plek van het vlees waar het volk dat God veracht op gericht is.

Main narrative program
Door deze conceptuele structuur is de samenhang van de gebeurtenissen in Numeri 11 inzichtelijk. Op basis daarvan kan nu het main narrative program van de tekst worden opgesteld aan de hand van de acteurs en hun streven dat in het verhaal door verschillende actanten tegengewerkt of geholpen kan worden. 

De twee hoofdacteurs in deze tekst zijn de Israelieten en JHWH. Het streven van het volk (subject), de eerste acteur in de perikoop, is het streven naar vlees (object). Hetgeen uiteindelijk voor vlees zorgt, de begunstiger, is de wind van JHWH. Zij geeft vlees aan de Israelieten, de begunstigden. In het proces dat zich in de perikoop afspeelt blijkt JHWHs toorn een tegenstander van het streven naar vlees te zijn. Enkel als antwoord op Mozes' gebed, zorgt JHWH wel voor vlees. Schematisch weergegeven:

begunstiger → object → begunstigde
↑ 
helper → subject ← tegenstander


wind van JHWH → vlees (= kwakkels) → volk 
wil eten / wenen om  
Mozes' gebed → volk ← toorn van JHWH

Het streven van Mozes komt daarmee al direct ter sprake. Uit zijn gebed blijkt hij ernaar te streven dat JHWH zelf de zorg en leiding voor het volk op zich neemt. Als dat zou gebeuren, werkt dat zowel in zijn eigen voordeel als in het voordeel van het volk. Zowel Mozes als het volk zijn dus de begunstigden. Door Mozes' gebed neemt JHWH uiteindelijk de zorg (kwakkels) en leiding (JHWHs geestesgave aan de oudsten) voor het volk op zich. De ruach van JHWH is tweemaal de begunstiger. Deze begunstigers zijn tegelijk positieve en negatieve begunstigers: de opdracht aan Mozes wordt niet geheel ongedaan gemaakt, en de kwakkels zijn niet enkel zegen.

geest JHWH  → JHWHs zorg en leiding → volk + Mozes 
+ wind JHWH ↑
wil bereiken 
Mozes' gebed →  Mozes ←  toorn van JHWH

Het streven van JHWH is in het midden van het volk mee te trekken naar het beloofde land (13). Dit is ook het doel van JHWH zoals dat naar voren komt uit de context van Numeri en het optrekken vanaf de Sinai. Helpers van JHWH vormen het manna, waarmee hij het volk voedt, en Mozes door wie hij het volk leidt. Hieruit blijkt direct dat het streven van het volk naar vlees een counter program vormt dat tegen JHWHs streven ingaat. Het gaat tegen JHWH zelf in (zij verwerpen JHWH) en tegen zijn streven (in hun midden zijn). Het wenende volk en de toorn van JHWH die daarvan het gevolg is, zijn vervolgens beide tegenstanders van het streven van JHWH het volk naar het beloofde land te dragen. Het is door Mozes' gebed dat deze toorn van JHWH verandert van inhoud. Daardoor bevordert de toorn van JHWH uiteindelijk het streven van JHWH het volk naar het beloofde land te brengen. Hij overwint al zijn tegenstanders: het verzamelde volk dat zijn plek innam, de wenende Israëlieten en zijn eigen toorn. De kwakkels doen de Israëlieten weer opstaan en leidt hun aandacht van het verzamelde volk en Egypte af. Op hetzelfde moment, wordt dat verzamelde volk uit hun midden weggedaan. Ondertussen heeft JHWH reeds voorzien in een nieuw 'verzameld volk' dat in het midden van de Israëlieten vergaderd is en hen zal doen optrekken naar het beloofde land. De grootste verandering die plaatsvindt, is de verandering van JHWHs toorn, waardoor deze uiteindelijk met oog op het hoofddoel van JHWH (de voortgang van de woestijnreis) van JHWH tot zegen voor het volk wordt. Tegen deze straffende toorn van JHWH in het laatste deel van de geschiedenis doet Mozes dan ook geen voorbede. Het betekent JHWHs aanwezigheid.

Zo is het te verklaren dat het verhaal niet 'positief' eindigt met het volk dat vlees verzamelt en eet. Het verhaal vindt zijn bevredigende en werkelijk goede slot in de plaag van JHWH die onder het volk ontbrandt. Door de plaag sterven JHWHs tegenstanders en trekt het volk vervolgens weer op met JHWH in hun midden. Gods toorn betekent niet langer de verbreking maar voortgang van het verbond.

JHWHs aanwezigheid → beloofde land → volk
wil in het midden van
het volk meetrekken naar

↑ 
JHWH
← 1) wenende Israelieten 
← 2) JHWHs toorn
3) Mozes' gebed  →
4) JHWH's toorn!

Conclusie
De verwerping van JHWHs aanwezigheid is het generative concept van de perikoop. De grootste verandering in de geschiedenis vindt plaats door Mozes' gebed, waardoor de toorn van JHWH van tegenstander tot helper wordt. Uiteindelijk wordt JHWHs toorn de helper van JHWHs streven in het midden van het volk op te trekken. Het main program van Numeri 11:4-35 kan dan omschreven worden als: JHWHs toorn zorgt ervoor dat JHWHs streven temidden van het volk te wonen en het volk naar het beloofde land te dragen doorgang vindt. Wanneer de geschiedenis zo wordt weergegeven, wordt Mozes de held van het verhaal.

  • Goede doelen

    'Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid'
    Matteus 6:33

    Compassion!
    Voor we trouwden, hadden wij al een kind: 5 jaar is hij en hij heet Alejandro. We ontvangen vaak brieven van hem en zijn familie.
    De 'wereld' redden? Kan dat, al die duizenden kinderen? 'JA', zegt Compassion. Hoe dan? Gewoon: een-voor-een.

    Donorregister.nl
    Ben jij al donor?

    De Voedselbank
    Afgelopen keer tijdens de inzamelingsactie: wasmiddel in de Bonus! Yes! De verkoper keek raar op van de hoeveelheid die wij inkochten. Zo leuk is shoppen zelden.